journaal

De kaars voor mijn vader

Ik heb het geluk van een lang levende vader (geboren in 1926) die in december van vorig jaar nog  ergens in Bulgaarse sneeuw op de latten stond. Naast een redelijk pronte gezondheid  beschikt de man  doorgaans over een flinke portie wilskracht en een  tomeloze energie die van hem - al naargelang - een gedreven knutselaar, kippenhouder, houthakker of tuinier maken. Zijn computer  en een vooroorlogs mobieltje behoren tot de attributen waarvan hij dagelijks en behendig gebruik maakt. Het wereldwijde net wordt door hem regelmatig geconsulteerd.

Mijn vader is ervan overtuigd dat zijn geluk minstens gedeeltelijk te danken is aan zijn goede relatie met God.

Hij is diep gelovig en belijdt deze overtuiging in een aantal rituelen zoals daar zijn: de zondagse H.Mis , wijwater, palmtakjes,  gebed en het branden van kaarsen. 

Voor wat mezelf betreft en zeer tot zijn ontgoocheling moet ik bekennen helaas niet te beschikken over de gave van het geloof. Echter de voorliefde voor het ontsteken van kaarsen om het geluk af te dwingen, of er minstens voorzichtig om te verzoeken, heb ik helemaal van hem geërfd. Bij iedere twijfel over het lot van een geliefd medemens gaat hier een lichtje branden.

Nu wil het dat de oude eik, mijn doorgaans sterke vader, haast jaarlijks getroffen wordt door gezondheidsproblemen van  pneumologische of  intestinale aard. Dat zijn natuurlijk hoogdagen voor de kaarsenfabrikant. Tegelijkertijd - en ook dat behoort tot de traditie - muteert de krachtige boom met rechte kruin tot een weifelend struikje met neerhangende takken. De longen en de buik maar natuurlijk ook de medicatie bezwaren  zijn geest, die als het ware beroofd wordt van optimisme en bruisende levenskracht. Hij mist zijn borreltjes en de frisse pils tussendoor en mokkend sleept hij zich naar een volgende slapeloze nacht. Inmiddels, kan u zich voorstellen, hebben ook vaders   huisgenote en verzorgers een kaars nodig om zijn ziekte te overleven.

Op een zondag wil hij spijts koorts, kortademigheid, quasi verdoofd door een vracht geneesmiddelen toch naar de Mis in een kerkje op zowat 15 km van huis.

Ik heb hem met forse taal verboden om dat te doen. Laat  Onze Lieve Heer maar tot jou komen, spreek ik hem toe. En je kan ook een dienst op TV volgen.

Hij kijkt me aan als een geslagen hond, de droeve ogen nog net in staat om een verwijtend signaal uit te sturen. Alsof hem zijn wekelijks feestmaal wordt ontnomen. Nu ben ik heel ongelukkig zegt hij, nog wat zout in de wonde strooiend.

Maar hij gehoorzaamt wel. Bewuste zondag ga ik boodschappen doen en kies voor een winkel in een buurt waar veel Genkse Italianen wonen die traditiegetrouw religieus  zijn. Je vindt daar kaarsen in rode omhulsels, sommigen met de afbeelding van een heilige, of biddende handen, kortom een ideaal aanvullend geschenkje, zo meen ik, voor een langzaam herstellende papa die verzaakt heeft aan zijn zondagsplicht.

Thuis gekomen vind ik hem nog net niet knielend voor het plasma scherm, de Eucharistieviering loopt ten einde.

Zo vadertje, om je te danken voor de medewerking en om je ziekte nog krachtdadiger te bestrijden heb ik een speciaal kaarsje voor je meegebracht, kir ik triomfantelijk en overhandig hem het rode kleinood waarop een dekseltje met kruisjes.

Heel langzaam, als ik zijn blik ontwaar, besterft de glimlach op mijn lippen, om compleet uit te doven terwijl hij oppert: dat is een grafkaars!

 

7 april 2013

thema » De waan van de dag