journaal

Vierentwintig centimeter

Het komt wellicht in de beste huwelijken voor:  van een kleine onenigheid, over een banale ruzie tot een diepe kwetsuur die dagen nazindert. En ieder koppel, elk individu reageert op geheel eigen wijze, een manier die door de jaren heen nauwelijks wijzigt. Er wordt met deuren geslagen, luidkeels geschreeuwd, oeverloos gekibbeld, met het service gegooid of zoals in ons geval: gezwegen. Voor wie deze wijze van oorlog voeren onbekend is, ik kan het jullie verzekeren: het geluid van de stilte klinkt harder dan een koor vol baritons. Na twee dagen van beeld zonder klank ben ik het van ellende afgebold. Gelukkig op dit ogenblik beschikkend over een tijdelijk toevluchtsoord waar ik mijn wonden lik,  hopend dat ondertussen in de andere provincie het leven herneemt en het gezucht, gefluit, gemopper en gebabbel onze dagen straks weer geruststellend aan mekaar rijgt.

Op een avondlijk uur, de schaduwen zijn lang al opgeslokt, spoor ik naar Brussel. Ik ben vroeg en nestel me in een zo  goed als lege wagon op de bovenverdieping. Een viertal Indiërs zoekt een plekje verderop. Ze kakelen er lustig op los en ik glimlach bij de herinnering aan Apu, de kruidenier van The Simpsons,  wiens Engels je zo herkenbaar filtert uit deze keelgeluiden. Alles beter dan de stilte nu.

Een jongeman komt het gangpad op gelopen en ik werp hem een vluchtige blik toe. Smal en jong, donkere krullen, licht getaande huid. Ik kruip terstond terug in mijn tijdschrift want de geschiedenis heeft me geleerd dat een blik, die een seconde blijft hangen in het donkere ravenoog, vooral dan van een Arabische medeburger, tot ernstige misvattingen kan leiden. De jongeheer doet wel heel erg zijn best om niet onopgemerkt te blijven. Hij laveert van het ene bankstel naar het andere, betast de ramen onder een soort gekreun waaruit moet blijken dat ze tochtig zijn. Hij telefoneert in een taaltje dat ik absoluut niet kan thuisbrengen en als ik stiekem boven mijn magazine uit tuur merk ik dat hij me via de weerspiegeling in het vensterglas bekijkt. Terwijl hij plots weer van zitbank wisselt duik ik onverwijld in het artikel over - God behoedde - de chemie van de liefde en dwing mijn ogen enkel te leven binnen de pagina's. Plots veert hij recht, maakt een behendig sprongetje tot de overkant en roept 'mevrouw!' ondertussen wijzend naar een onbestemde plek aan mijn voeten.                                                                                                        Daar ligt één van mijn handschoenen. Zo alleen als ik. 'Dank je wel' mompel ik verwonderd over het Nederlands dat ik hoor. Ik leg zo weinig mogelijk animo in mijn stem, raap het textiel op en geef hem geen kans om dit intermezzo om te buigen tot een gesprek. Vanuit mijn ooghoeken merk ik dat hij z'n oorspronkelijke plaats heeft ingenomen maar even later schemert zijn hoofd te hoog boven de bank. Niet opkijken gebiedt mij een inwendige stem. Terwijl ik vermoed dat hij op zijn knieën zit en mij onbeschaamd aanstaart, blijft mijn blik aan het tijdschrift gekleefd.  

Dan gebeurt het: met zijn inmiddels bekende zwier verlaat hij z'n plek en als een kat die eindelijk beslist om de muis te bespringen, duikt hij op de zitplaats tegenover mij.

Ik ben te perplex om te reageren, hoe zou ik ook en vooraleer ik me kan afvragen 'what's next?' vraagt hij of ik een pen heb.

Enigszins opgelucht met dit verzoek graaf ik in mijn rugzak met spulletjes voor de eenzame nacht en sporen van het droeve thuisfront.  Ik diep de gevraagde bic op. Hij neemt één van de dagkrantjes die in veelvoud op het tafeltje tussen ons in liggen en begint behoedzaam enkele cijfers te noteren. Dan vraagt hij, alsof hij het terloops over het weer heeft, hoe oud ik ben. Verbaasd kijk ik op en lach dat ik alleszins  te oud ben om op dit soort vragen te antwoorden, dat ik zijn moeder zou kunnen zijn. 'Ja maar, jij bent zeer mooi.' Gedurende een fractie van een seconde ontwaakt het jonge meisje in mij en als een bliksemschicht zo kort voel ik een warme blos van nostalgie door de geatrofieerde aders glijden. 'Dank je' mompel ik onhandig terwijl de ratio keihard toeslaat en ook het Nederlands van de jongeman een flinke deuk krijgt. Het moet als een compliment bedoeld zijn als hij verder gaat: 'Ik hou niet van jonge meisjes. Voor mij moeten ze mooi zijn maar oud! ' Top! denk ik, dat hebben we ook weer begrepen. In een gebrekkig taaltje legt hij uit dat meisjes vermoeiend zijn en ontrouw. De cijfers op de krant scheurt hij uit en met een groots gebaar, alsof het een boeket rode rozen betreft, geeft hij me zijn nummer. 'Jij nu misschien geen zin, misschien jij zin morgen of volgende week...en dan jij bellen mij. Ik wacht op jou.'

Van de eerste verbazing bekomen zeg ik dat hij het zo ingewikkeld niet moet maken, dat ik heus wel besef dat hij een gigolo is en ik in zijn ogen een eenzame prooi. En dat ik niet aan betaalde liefde doe. Hij dringt aan, beschrijft mijn mond en mijn ogen, erop rekenend (niet geheel onterecht)  dat vrouwelijke ijdelheid goedgelovig maakt. Ik beluister hem met enige nieuwsgierigheid en groeiende verbazing, mezelf afvragend of er buiten Gambia dan nog plaatsen zijn waar vrouwen van middelbare leeftijd veelvuldig jonge liefde kopen. En terloops stel ik me tevens  de vraag of ik er dan zo wanhopig uitzie. Ik prijs me gelukkig dat het heerschap niet weet van de stilte thuis en het onbegrip dat momenteel tussen onze muren en ons hart fezelt.

Onvermoeibaar gaat hij verder. Dat hij niet betaald wil worden. Dat ik er zeker geen spijt van zal hebben, hij noemt zichzelf een geweldige minnaar.

Ik opper dat ik a. getrouwd ben, b. gelukkig getrouwd (de actuele twijfel is aan ieders oog onttrokken...) en  c. de intentie heb om trouw te zijn.

'Ah zo!' reageert hij met een verbazing die me lichtelijk ergert. Ondertussen is onze conversatie verder gezet in een soort Engels waarmee ik dit verslag niet ga bemoeilijken.

'Ach zo,' herhaalt hij met opgetrokken wenkbrauwen. ' ik ben er toch zeker van dat jouw man geen 'Dick' van 24 cm heeft.'

Hij interpreteert mijn stilzwijgen - alias verstomming - verkeerd, pakt me de pen uit handen en schrijft op de Metro tot drie maal toe: 24 cm!

Wat had hij nu verwacht? Dat ik zou kirren 'I'm impressed!!!'

Mijn verbazing wordt  stilaan verbolgenheid, overgoten met een dosis nieuwsgierigheid waarvoor ik me toch een beetje moet hoeden want  gevaarlijk soms.

 'Weet je' zegt hij, ' er is hier nu toch nauwelijks volk...als je wil, toon ik je hem NU!'

De uitdrukking 'daar valt mij de broek van af'  is op dit moment wellicht ongepast, maar het klopte wel!

Ik bezweer hem dat vooral NIET te doen, waarop hij vraagt ' ben je dan bi? Of voor de meisjes misschien? Hou je meer van orale seks, kan ook hoor! '

Ik zeg hem dat ik niet de gewoonte heb dit soort zaken te bespreken met een vreemde, dat ze behoren tot mijn privé...

Is het omdat ik toch van die trein niet af kon, geen heisa wilde maken en nog steeds in staat van opperste verbazing verkeerde, feit is dat ik ben blijven zitten en het gesprek een totaal andere wending trachtte te geven. Eerst een moraliserend betoog over spiritualiteit. Eigenlijk een hilarische poging om de seks van tafel te krijgen. Dan wat filosofisch geklungel: België, armoede, immigratie en uiteindelijk zijn home-land Azerbeidzjan. Religie en oorlog. Het kan verkeren...  

Hij stapte gelukkig af in Brussel-Noord. Heeft me luchthartig uitgewuifd, einde van het weerpraatje zo leek het wel. Zijn nummer had hij zelf al keurig, maar niet zonder enige dramatiek verscheurd en in de vuilbak gekieperd. Ik heb de pen weggestopt tussen de overige spulletjes uit het droeve home-land en werd door heimwee overspoeld. Ik hoop dat de man in de andere provincie de spraak  inmiddels heeft teruggevonden. Ik wil naar huis en heb daar met plezier een aantal centimeters voor veil.

 

Myriam

29/30  ja 014 

thema » De waan van de dag